De Leytsche Dam:
een stedentwistappel

De geschiedenis van de Leytsche Dam gaat eeuwen terug. Rond 1300 werd tussen Delfland en Rijnland, als onderdeel van de ‘Sijtwende’ (waterkering), een dam in de Vliet aangelegd. De toenmalige bestuurders van Holland konden toen niet bevroeden dat deze dam op de ontwikkeling van de omgeving zoveel invloed zou krijgen en inzet zou worden van vele twisten tussen steden.
De dam in de Vliet werd gebouwd om de stad Delft te beschermen tegen overstromingen. Helaas had dit ook een negatief effect, omdat die dam Delft belette een directe vaarverbinding aan te leggen naar noordelijke steden, zoals Leiden, Haarlem en Amsterdam.
De dam vrijwaarde Delft wel van overstromingen, maar beperkte de stad fors in haar mogelijkheden. Zo werd de Leytsche Dam een heuse twistappel tussen Delft en Leiden enerzijds en Gouda, Dordrecht en Haarlem anderzijds. De schippers werden gedwongen een grote omweg te maken via Gouda en Dordrecht naar Haarlem. De tijdrovende omweg diende immers om bij deze drie steden tol te betalen.

1492: Goudse ‘vagebonden en quaetdoeners’ slaan de boel kort en klein

Door die belangrijke tol-inkomsten naar het noorden was Gouda faliekant tegen een goede doorstroming van schepen bij de Leytsche Dam. Men trommelden in de winter van 1492 een legertje met zo’n 400 vechtlustige ‘vrijwilligers’ op, hoofdzakelijk Gouwenaars die graag wat wilden bijverdienen. Het waren, zoals ze toen genoemd werden, ‘ledighgangers, vagebonden en uytgebannen quaetdoeners’. Met bijlen en vuisthamers sloegen zij de bijna gereed zijnde twee duyckers aan gruzelementen. Delfland en Rijnland durfden uit angst voor represailles van Gouda en de andere steden, vooralsnog geen nieuwe duyckers aan te leggen.

Brand in Delft
Een overtoom op de Leytsche Dam

Op 3 mei 1536 woedde in Delft een hevige brand die de stad grotendeels verwoestte. Honderden gebouwen werden in de as gelegd. Om schadeherstel te kunnen financieren, gaf Karel V in 1559 Delft toestemming om in de Leytsche Dam een nieuwe duycker met een doorlaat voor wat grotere schuiten en een overtoom te bouwen. Dit heeft echter slechts kort gefunctioneerd. Holland was in die tijd nog steeds verwikkeld in de 80-jarige oorlog met Spanje, die in 1574, met het beleg van Leiden, zijn dieptepunt naderde.

De dijken rond de polders in de omgeving van Leiden, o.a. in Stompwijk, Zoeterwoude en Wilsveen, werden doorgestoken. Ook de duyckers in de Leytsche Dam en de op deze dam gebouwde overtoom, werden door het Spaanse leger in 1574 totaal vernietigd. Na het vertrek van de Spanjaarden bleef Gouda halsstarrig vasthouden aan zijn oude rechten en kreeg gedaan dat de inmiddels herbouwde duyckers en de overtoom weer moesten worden afgebroken.

De Overtoom op de Leytsche Dam omstreeks 1560

De Overtoom op de Leytsche Dam omstreeks 1560

De Leytsche Dam werd overstapstation voor trekschuiten

Rond 1630 nam het wantrouwen tussen Rijnland en Delfland af. Ze besloten samen het ontbrekende stuk ‘treckweg’ tussen de Leytsche Dam en Leiden aan te leggen. Dit was het begin van de transformatie van de Leytsche Dam tot een overstapstation voor trekschuiten. In 1638 werd de nieuwe trekweg langs de Vliet (later de Oostvlietweg) feestelijk in gebruik genomen. Holland zat toen midden in de Gouden Eeuw. Helaas duurden de ‘onderlinge kuiperijen’ tussen de steden nog voort. Dit maakte het onmogelijk dat vrije doorvaart via grotere duyckers door de Leytsche Dam en een overtoom gerealiseerd kon worden.
Met uitzondering van kleine schuitjes die wel door de duycker konden varen, moesten alle goederen eerst worden uitgeladen en over de dam worden gebracht.

Veel passagiers brachten dynamiek

Het overstapstation bij de Leytsche Dam zorgde door de reguliere diensten voor veel extra drukte. Per dag arriveerden 16 trekschuiten met passagiers met bestemming Delft of Den Haag. Uit tegengestelde richting meerden evenveel schuiten met passagiers af. Elke trekschuit kon zo’n 24 passagiers vervoeren. Als we stellen dat de bezetting van elke trekschuit gemiddeld 20 personen is geweest, liepen er tussen de jaren 1638 en 1845 dagelijks zo’n 300 passagiers van de Leidse Kade over het Sluisplein naar de Delftse Kade. In omgekeerde richting gebeurde hetzelfde. Zo kreeg de Leytsche Dam de positie van een bedrijvig trekschuitenstation.
Dit bracht dynamiek in het dorpje aan beide zijden van de sluiskolk op de grens tussen Stompwijk en Veur. Het werd de basis voor groei van de ‘nederzetting’ bij de Leytsche Dam.

Een nieuwe tijd met de Schuitenjagers

Aan de Leidse Kade ontwikkelde zich de ‘jagersbuurt’ met stallen voor paarden en woningen. Deze nieuwkomers werden spoedig gevolgd door ‘neringdoeners’, zoals kooplieden, touwslagers, zeilmakers, grutters en herbergiers die hun diensten aanboden aan de overstappende passagiers. Het waren noeste werkers en ondernemers die er een succes van maakten. De trekschuitdiensten zijn ruim twee eeuwen lang (tot rond 1850) de favoriete vorm van openbaar vervoer gebleven. Er was immers nog geen concurrerend ander vervoermiddel.

Passagiers zaten als haring in een tonnetje

De steden Delft en Leiden zorgden elk voor de aanschaf van acht trekschuiten voor vervoer van passagiers. De standaardmaat van deze trekschuiten was 1,75 meter breed en 10 meter lang. Hierin konden ‘als haring in een tonnetje’, 24 personen plaatsnemen op aan beide zijden opgestelde banken. In 1728 werden de trekschuiten verbeterd. De scheepsruimten werden voorzien van een houten opbouw met ramen aan elke kant. In het scheepsruim was plaats voor het ‘gewone volk’. De roef was beschikbaar voor de ‘hogere stand’.

Beroemde personen passeerden de Leytsche Dam

Onder de vele overstappende reizigers bevonden zich ook historisch beroemde reizigers uit Delft en Den Haag op weg naar Amsterdam en terug. Hierbij kunnen we denken aan bijvoorbeeld Johan van Oldenbarnevelt of Johannes de Witt en aan vader en zoon Constantijn en Christiaan Huygens. Maar ook de filosoof Baruch de Spinoza en de schilder Rembrandt van Rijn moeten met regelmaat de Leytsche Dam hebben aangedaan als zij bezoekjes brachten aan ‘Vakbroeders’ in Delft of Den Haag. We kunnen veronderstellen dat zij bij de Leytsche Dam wat gedronken hebben of er zelfs een nachtje hebben geslapen.

Het succes van de trekschuiten smaakte naar meer

Direct na de opening van de trekweg gebeurde er van alles rond de Leytsche Dam. Een toename van de welvaart van de dorpsbewoners leidde blijkbaar tot expansiedrang. In dit kader had de ingezworen landmeter Pieter Floris van der Sallem van de stad Delft, in 1646 opdracht gekregen om een ontwerp te maken voor een verbeterde sluiskolk met duyckers en een grotere doorlaat, met een overtoom op de dam. Op deze afbeelding zien we een voorlopig plan van aanleg. De kolk lag toen meer naar het zuiden ten opzichte van de huidige sluiskolk die in 1885 is aangelegd. Door de voortdurende twisten tussen de steden in de 17e eeuw, is dit plan voor heraanleg van deze voorzieningen in en op de Leytsche Dam nooit tot uitvoering kunnen komen.

Plan uit 1646 voor de bouw en aanleg van twee nieuwe duyckers in de Leytsche Dam en een overtoom op de Leytsche Dam.

Een hertaling van de tekst bij dit niet doorgegane plan

Om de trekschuiten die tussen Delft en Leyden varen en de Leytsche Dam van Rijnland naar Delfland alsmede van Delfland naar Rijnland goed te laten passeren, is tussen de bestuurders van beide steden overeengekomen dat er twee Duyckers (‘verlaten’), elk voorzien van een valsluisdeur worden aangelegd: een aan de oostzijde van de Colck, die van Rijnland en een aan de westzijde, die van Delfland. Zo kunnen alle schuiten door een duycker, de Leytsche Dam van Delfland naar Rijnland en omgekeerd passeren. Het water in de Colck is gemeenschappelijk, dat wil zeggen zowel van Rijnland als van Delfland.

Als het water in de Colck even hoog is als het water in Rijnland of in Delfland, dan kan de Duycker worden ingevaren zonder te ‘schutten’. Als bijvoorbeeld de Duycker in de Leytsche Dam openstaat en het waterniveau van de Colck gelijk is aan Rijnland, zal de duycker geen water keren. Hetzelfde is van toepassing als het waterniveau in de Colck gelijk staat met dat van Delfland, dan zal bij het varen door de Duycker niet geschut behoeven te worden.

Overnachten bij de Leytsche Dam

Passagiers die al een lange dagreis hadden gemaakt, bleven slapen in een herberg bij het overstapstation en de pleisterplaats rond de Leytsche Dam.
De reizigers konden kiezen uit:

De stoomlocomotief maakt in 1844 een einde aan het trekschuit overstapstation

Na de ingebruikname van de ‘IJzeren Spoorweg’ in 1844 tussen Amsterdam en Rotterdam, stapten de passagiers massaal over op de trein. De trein ging maar liefst drie keer sneller dan een dravend paard. Daar kon een stapvoets trekkend paard voor de trekschuit niet tegenop.De dam was rond 1850 nog steeds voorzien van slechts twee duyckers waar alleen kleine schuitjes door konden varen. De trekschuiten werden overbodig, terwijl vrachtschepen voor de dam dienden te worden overgeladen.

Het gehele transportsysteem over water was inmiddels sterk verouderd. De Provincie Zuid-Holland nam daarom rond 1870 het eigendom van de sluiskolk en de duyckers over van de gemeente Delft en legde er een geheel nieuw sluizencomplex aan. De nieuwe sluis werd voorzien van zeven meter brede draaisluisdeuren voor schepen en twee ophaalbruggen. In 1885 werd het sluizencomplex in aanbouw genomen.

“De Leytsche Dam leeft voort”

De Leytsche Dam als bakermat van de dorpskernen van Veur en Stompwijk, transformeerde zich na 1885 tot een belangrijk sluizencomplex op de grens van Delfland en Rijnland. De draaisluisdeuren werden de dominante factor. Deze gaven na 1885 ruim baan aan doorvaart voor transport van noord naar zuid en andersom. Het werd een levendige dorpskern op de grens van Veur en Stompwijk.
Bij de samenvoeging in 1938 van Veur met Stompwijk tot de gemeente Leidschendam, werd de historische naam ‘De Leytsche Dam’ behouden. Ook bij de fusie in 2002, werd de historische naam ‘De Leytsche Dam’ niet vergeten met de nieuwe naam van de gemeente: ‘Leidschendam-Voorburg’.